:focal(1399x524:1400x525)&w=3840&q=75)
Het onderwijs teert teveel op subsidieconfetti
Het aantal openstaande vacatures in het onderwijs stijgt hard. In twee jaar tijd groeide het aantal openstaande vacatures van een kleine 8.000 naar ruim 11.500. Een stijging van maar liefst 45 procent, blijkt uit data van Nationale Vacaturebank. Over dezelfde periode nam het aantal sollicitanten per vacature fors af. Waren er dat in 2021 nog gemiddeld 4, in 2023 waren dat er nog maar 2.
Trend uit 2018 zet verder door
Het aantal openstaande vacatures in het onderwijs neemt al geruime tijd toe. Tussen 2018 en 2020 constateerde het CBS een stijging van zestien procent. In de tussentijd is dat aantal dus alleen maar gestegen. Dat zorgt onder andere voor kortere lesprogramma’s en soms een vierdaagse schoolweek. In het ergste geval sluit een onderwijsinstelling noodgedwongen de deuren.
Niet alleen stijgt het aantal openstaande vacatures, ook daalt het aantal sollicitanten. In 2021 waren er voor iedere vacature 4 sollicitanten. Twee jaar later is dat aantal bijna gehalveerd naar 2,5. Suzanne van Malsen van Nationale Vacaturebank licht een van de voornaamste oorzaken toe: ‘’In de breedte is er een tekort aan personeel. Dit heeft een hogere werkdruk als direct gevolg. Dat is niet aantrekkelijk en dat is een reden waarom mensen niet meer zo happig zijn op een baan in het onderwijs.’’
Klaas van Veen is hoogleraar Onderwijskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen en bestuurder bij twaalf basisscholen. Volgens hem speelt er een fundamenteel probleem dat moet worden aangepakt. Specifiek de lumpsum. Dit is een basisbedrag gefinancierd door de overheid. Het schoolbestuur ontvangt dit per school op basis van het aantal leerlingen. Hiervan betaalt de school onder andere het personeel en materialen. Maar volgens Van Veen werkt dit niet meer: ‘De lumpsum resulteerde in gericht beleid op beheersing, niet op wat goed is voor het onderwijs. Werken met kinderen is daardoor verworden tot het draaien van lessen. Dat is niet waarom je het onderwijs ingaat. Je wilt iets betekenen voor elk kind. Mensen die het onderwijs verlaten, doen dat vaak omdat lesgeven geen voldoening meer geeft.’’
Personeel verlaat het onderwijs steeds vaker
Begin je net met een nieuwe baan in het onderwijs? Dertig procent kans dat je binnen vijf jaar stopt. Volgens Floor de Booys van de Algemene Onderwijsbond komt dat deels door het inwerktraject. Een baan in het onderwijs is vaak niet eenvoudig. Daarom is een goed inwerktraject erg belangrijk.
‘’Wij horen van leerkrachten dat ze zich niet voldoende gesteund voelen. In de regel kost het vijf jaar om het vak te leren. Ik denk dat je daarom een structureel plan moet hebben. Zet met name in het eerste jaar een duidelijk traject uit. Zorg dat de leerkracht weet waar hij of zij terecht kan. Door juist in het begin te focussen op passende begeleiding is de kans groter dat iemand in het onderwijs blijft,’’ aldus De Booys.
Hogere lonen maar een dalend animo
In de zomer van 2023 was er goed nieuws. Al het onderwijspersoneel ontving een loonsverhoging van 10 procent en een eenmalige uitkering. Maar dit leidt dus niet tot het gewenste effect. Van Malsen legt uit hoe dat kan: ‘’Een loonsverhoging klinkt leuk, maar het is in essentie een kortetermijnoplossing. Hogere lonen betekenen niet dat er ineens geen hoge werkdruk meer is. Met andere woorden, het lost op de lange termijn vaak niet heel veel op.’’
Er moet dus een plan voor de lange termijn komen. Daarom schrijft De Onderwijsraad in november 2023 een brief aan het nieuw te vormen kabinet. Hierin onderstrepen zij de noodzaak van het probleem. Volgens de raad neemt het tekort na 2030 alleen nog maar toe. Investeren is volgens hen daarom van groot belang. Een mogelijke investering is de lerarenopleiding gratis maken. Je stimuleert aanwas en dat kan op de lange termijn oplossing bieden. Zij wijzen als voorbeeld naar de politieacademie. Word je toegelaten? Dat ben je direct zeker van een baan en dus inkomsten.
Van Veen denkt niet dat een gratis lerarenopleiding het antwoord is. ‘’Mensen die leraar willen worden, hebben een intrinsieke motivatie. Dat een opleiding geld kost, is voor hen nooit een drempel geweest om leraar te worden. Op dit moment zitten pabo’s behoorlijk vol. Datzelfde geldt voor tweedegraads opleidingen. Ik denk dat er veel meer te winnen valt wanneer je de lerarenopleiding integreert met de scholen. Hierdoor wordt de opleiding een stuk aantrekkelijker en efficiënter. Een groter probleem is dat veel docenten het moeten doen met tijdelijke contracten. Dat werkt niet. Mensen willen een vast contract, maar dat is op dit moment erg lastig. Dat komt door een structureel tekort aan geld. De lumpsum is te weinig. Het onderwijs teert te veel op subsidieconfetti. Het probleem daarbij is dat het om tijdelijk geld gaat. Hiervan kun je wel mensen aannemen, maar niet behouden. Het is ontzettend frustrerend wanneer je twee of drie keer een tijdelijk contract krijgt en vervolgens geen vast dienstverband.’’
80.000 onderwijzers aan de zijlijn
Volgens de Algemene Onderwijsbond zijn er 80.000 mensen met onderwijsbevoegdheid die niet werken in het onderwijs. Met andere woorden, er zijn voldoende mensen met de juiste kwalificatie. Maar de wil om in het onderwijs te werken mist. Een oplossing: maak werken in het onderwijs aantrekkelijk.
Makkelijker gezegd dan gedaan. Volgens Van Malsen is het belangrijk om het gesprek aan te gaan: ‘’Kom erachter waarom ze zijn gestopt en breng hun wensen in kaart. Wat hebben ze nodig? Hoe ondersteun je hen? Wellicht is een teruggang in werkuren voor hen een oplossing om de werkdruk te verlagen. Wil 5 procent van de 80.000 hierdoor terugkomen, dan hebben we het over 4.000 banen. En dat kan een groot effect hebben.’’
Kleinere klassen zijn volgens De Booys een grote stap in het aantrekkelijker maken van het onderwijs. ‘’Als leraar wil je het gevoel hebben dat je kunt doen waarom je in de eerste plaats het vak bent ingestapt. Geef je les aan een klas van 30 leerlingen? Dan is daar geen ruimte voor. De ene leerling die extra begeleiding nodig heeft, kan je niet helpen. Kleinere klassen zorgen ervoor dat er weer aandacht is voor iedere leerling. Dat is niet alleen beter voor het kind, maar dat maakt het vak ook weer leuk en uitdagend.’’
Van Veen deelt de opvatting over de kleinere klassen. Met de huidige problematiek is dat volgens hem op dit moment onmogelijk. Ondanks de uitdagingen is hij optimistisch. ‘’Bestuursorganisaties en vakbonden dringen gezamenlijk aan op een deltaplan. Hierin staat de structurele financiering centraal in plaats van een verzameling gefragmenteerde oplossingen. Niets is zo erg als een verdeeld onderwijsveld en daarom is dit een goede stap. Het geeft namelijk aan dat de betrokken partijen over hun schaduw heen durven te springen en samen tot een oplossing willen komen. Ik hoop alleen dat het te vormen kabinet dit ook inziet. Anders zal er de komende vier jaar wel veel worden geroepen maar niets veranderen.’’
:focal(285x340:286x341)&w=256&q=75)